CBC-BCP

BTW

BTW in de paardensector

Reeds vele jaren dringt de Belgische Confederatie van het Paard vzw er bij de overheid op aan om voor de paardensector niet langer het gewone BTW-tarief van 21% toe te passen maar wel het verlaagd BTW-tarief van 6%. Dit gebeurt ook zo in de verschillende EU-lidstaten, waaronder al onze buurlanden.

Momenteel ligt dit verlaagd tarief op Europees niveau in discussie. Enerzijds heeft de Europese Commissie bezwaar tegen het hanteren van het verlaagd tarief in de paardensector. Anderzijds verdedigen de landen met een verlaagd tarief vaak met goede argumenten hun standpunt en blijven zij dit toepassen. De Belgische Confederatie van het Paard (BCP) dringt er bij de overheid op aan om zich aan te sluiten bij de landen met een verlaagd BTW-tarief voor de paardensector om zo het concurrentieel nadeel voor België weg te werken.

Toch bestaan er voor de paardenwereld enkele mogelijkheden om minder BTW te moeten betalen. Het gaat hier om twee door de administratie genomen beslissingen die nog onvoldoende bekend zijn:

  • De eerste betreft paardachtigen als gebruikte goederen (bijzondere regeling BTW over de winstmarge).
    Onder welbepaalde strenge voorwaarden kan bij de verkoop van een paardachtige mogelijks enkel BTW aangerekend worden op de winst en niet op de gehele verkoopprijs.
  • De andere betreft het africhten van paardachtigen in een manege. Onder welbepaalde strenge voorwaarden kunnen diensten rond het gebruik van sportinfrastructuur mogelijks belast worden aan een verlaagd tarief van 6%.

Paardachtigen als gebruikte goederen

Africhten van paardachtigen in een manege

PAARDEN ALS GEBRUIKTE GOEDEREN

Definitie “gebruikte goederen”

Paardachtigen kunnen worden beschouwd als gebruikte goederen als ze voldoen aan de definitie van artikel 1A van Koninklijk Besluit nr. 53 van 23.12.1994. Gebruikte goederen worden gedefinieerd als de lichamelijke roerende goederen die in de staat waarin zij verkeren of na herstelling opnieuw kunnen worden gebruikt, andere dan kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, en andere dan edele metalen, edelstenen en parels.

Voorwaarden, volgens aanschrijving nr. 1/1995

De belastingplichtige wederverkoper die de winstmargeregeling wenst toe te passen bij de wederverkoop van een paardachtig, moet het bewijs kunnen leveren, door alle middelen van het gemene recht doch uitgezonderd de eed, dat het paard een “gebruikt goed” betreft en dat de paardachtige hem binnen de Gemeenschap werd geleverd door één van de onderstaande personen:

  • Een niet-belastingplichtige (particulier, niet-belastingplichtige rechtspersoon, …);
  • Een andere belastingplichtige, voor zover de levering van de paardachtige door deze andere belastingplichtige overeenkomstig artikel 44, § 2, 13 van het Wetboek is vrijgesteld van de BTW;
  • Een andere belastingplichtige, voor zover de levering van de paardachtige door deze andere belastingplichtige is vrijgesteld van de BTW krachtens artikel 56, § 2, van het Wetboek en het een bedrijfsmiddel betreft;
  • Een andere belastingplichtige wederverkoper, voor zover deze levering door deze andere belastingplichtige wederverkoper overeenkomstig deze bijzondere regeling onderworpen is geweest aan de BTW.

De belastingplichtige wederverkoper dient aldus het “gebruik” van de paardachtige te kunnen aantonen in hoofde van zijn leverancier (bv. paardachtige gebruikt voor recreatie, sport, …).

In het geval van onderstaande situaties kan er GEEN gebruik gemaakt worden van de bijzondere winstmargeregeling, daar ze niet beantwoorden aan de definitie van gebruikte goederen:

  • Slachtpaarden,
  • Verkoop van een veulen onmiddellijk na de geboorte,
  • Verkoop van een paard dat nog niet voor zijn uiteindelijke bestemming als rijpaard, recreatiepaard, enz., werd gebruikt.

Het bewijs dat het een “gebruikt” paardachtige betreft in hoofde van de leverancier van de belastingplichtige wederverkoper kan worden geleverd door middel van een geheel van overeenstemmende stukken. Deze stukken kunnen onder meer zijn:

  • De overeenkomst, gesloten tegen betaling met een persoon, die zich tegenover de eigenaar van de paardachtige verbindt om de paardachtige te stallen en te verzorgen in een stal dat hij ter beschikking stelt;
  • Het contract betreffende genomen rijlessen met de paardachtige;
  • Betalingsbewijzen betreffende bovenstaande diensten;
  • Een factuur van de aankoop van de paardachtige door de leverancier van de belastingplichtige wederverkoper;
  • Enz.

Elementen die ertoe bijdragen te bewijzen dat de paardachtige werd verkregen van één der beoogde personen kunnen eventueel worden geleverd door middel van het systeem van de erkende stamboeken indien het om een in België geregistreerd paardachtige gaat.

Ten aanzien van particulieren die geregeld paardachtigen verkopen, dient te worden nagegaan of deze niet dienen te worden aanzien als BTW-belastingsplichtigen.

Praktische toepassing van de beslissing betreffende “gebruikte goederen”.

Paardachtigen die reeds een aantal jaren oud zijn en reeds een aantal jaren bereden en gebruikt zijn (veulens komen dus niet in aanmerking) en die door een particulier verkocht worden aan een manegehouder, kunnen nadien – wanneer die manegehouder deze paardachtigen verder verkoopt – verkocht worden met een “BTW over de winstmarge”.

Stel (fictief): een manegehouder koopt een paardachtige aan bij een particulier voor 100 euro en verkoopt deze paardachtige een jaar later voor 110 euro, dan moet die manegehouder slechts BTW betalen op de extra 10 euro en niet op het volledig bedrag van 110 euro.
De reden hiervoor is vrij eenvoudig. Er wordt een paardachtige aangekocht bij een niet BTW-plichtige particulier. Deze laatste had door zijn statuut geen recht op aftrek van de BTW bij aankoop, verzorging, e.d. Er is dus een niet-aftrekbare BTW die altijd blijft “hangen”. Indien de wetgever de manegehouder zou verplichten, de BTW op de volledige verkoopprijs te heffen (in dit geval 110 euro), dan zou de overheid een belasting op een belasting heffen of zou men BTW heffen op een niet aftrekbare BTW die ooit is blijven “hangen”. Dat is evenwel niet de bedoeling.

Daarom bestaat er een regelgeving omtrent “herbruikbare goederen“. Er moet dus door de professional (de manegehouder, de handelaar,…) slechts BTW worden aangerekend op zijn winstmarge. Als er geen winstmarge is, is er ook geen BTW aan te rekenen. Dit verzacht voor een deel de verzuchtingen van het 21 %-tarief omdat i.p.v. van 21% op 110 euro, er nu slechts 21 % op 10 euro aangerekend dient te worden. De Federale Overheidsdienst Financiën roept de sector op om van deze mogelijkheid – die reeds meerdere jaren bestaat – gebruik te maken.

AFRICHTEN VAN PAARDACHTIGEN IN EEN MANEGE

In de beslissing nr. E.T. 104.248 van 22.12.2006 wordt het volgende gesteld :

Het gebruik maken van de manege voor het regelmatig berijden van de gestalde paardachtigen door de eigenaar van die paardachtigen, maakt in principe deel uit van een complexe overeenkomst, die in essentie het stallen en verzorgen van de paardachtigen tot voorwerp heeft en dus in zijn geheel onderworpen is aan het normale BTW-tarief van 21%.

Deze situatie dient echter anders bekeken te worden, wanneer :

  • Blijkt dat in de manege een werkelijke sportinfrastructuur (rijpiste, hindernissen, accommodatie voor paardenrijsport,…) voorhanden is. Aangezien die infrastructuur, in de regel, niet uitsluitend zal gebruikt worden voor het regelmatig berijden van de gestalde paardachtigen, maar ook voor rijlessen en wedstrijden;
  • Blijkt of aangetoond wordt dat het gebruik van de sportinfrastructuur een afzonderlijke dienst is, hetgeen inhoudt dat er een afzonderlijke prijs wordt aangerekend voor dat gebruik.


In deze omstandigheden kan ten aanzien van betreffende afzonderlijke dienst het verlaagd btw-tarief van 6%. worden toegepast op grond van rubriek XXVIII van tabel A van de bijlage bij het KB 20 (inrichting voor cultuur, sport of vermaak).